Individualpsychologie
Prof. Dr. Alfred Adler (1870 – 1937) is de grondlegger van de Individualpsychologie, een van de hoofdrichtingen in de psychologie.
Vanaf 1895 werkte Adler als arts en in 1898 publiceerde hij zijn eerste werk. Na ca. 10 jaar verwierf hij als zenuwarts en psychiater een grote faam. In 1911 richtte hij de ‘Vereniging voor Individualpsychologie’ op en ruim 35 jaar lang werkte hij aan zijn ideeën, waarmee hij internationale erkenning ontving.
De Individualpsychologie gaat er vanuit dat de mens in al zijn uitingen, als een ondeelbaar geheel (Latijns: individuum) moet worden beschouwd. Dat wil zeggen dat het gedrag of enige andere levensuiting van de mens, pas kan worden begrepen in het licht van de totale persoonlijkheid.
Adler ontdekte daarbij ook dat de mens doelgericht is: geen mens kan denken, voelen, willen of zelfs dromen, zonder dat hem daarbij een doel voorstaat. In de bewustwording en aanpassing van deze doelen ligt Adlers sleutel tot oplossen van problemen.
Een ander kernstuk van Adlers ideeën is het zg. gemeenschapsgevoel (Engels: social interest), waarvan hij de ontwikkeling als voornaamste doel en richting in het leven van de mens zag. Bij onvoldoende ontwikkeling van dit gemeenschapsgevoel kan zich bij mensen het idee vormen dat zij ‘er niet bij horen’ en dat ze vergeleken met anderen, ‘niet goed genoeg zijn’. Daardoor ontstaan minderwaardigheidsgevoelens (het begrip: ‘minderwaardigheidscomplex’ is door Adler geïntroduceerd) die de mens aanzetten tot vormen van ‘ik-gericht’ gedrag die hem voor hemzelf en voor de gemeenschap niet optimaal zijn.
Adlers holistische visie op de mens blijkt zeer modern van opzet en past verrassend goed in het tijdbeeld van nu. De Individualpsychologie geeft de moderne mens heldere handvatten om inzicht in zijn gedrag te krijgen en aan alternatieven te werken.
Sociale gelijkwaardigheid en het gemeenschapsgevoel
Eén van de uitgangspunten van de Individual psychologie is dat de mens een sociaal wezen is, wat betekent dat een mens andere mensen nodig heeft. Wie denkt het in zijn eentje te kunnen redden en anderen niet nodig te hebben, zal er achter komen dat je niet ver komt zonder samenwerking, zonder het sluiten van compromissen en wederzijdse ondersteuning. Omdat de mens een sociaal wezen is kan hij alleen binnen de gemeenschap waarin hij leeft begrepen worden en zich alleen in de wisselwerking met anderen ontwikkelen. Of hij zich in een sociaal positieve richting of in een sociaal negatieve richting ontwikkelt is afhankelijk van de mate waarin hij zich als een deel van de gemeenschap beschouwt, het gevoel heeft dat hij erbij hoort en van zijn zelfvertrouwen. Dit gevoel wordt gemeenschapsgevoel genoemd en iemand die voelt dat hij erbij hoort, beleeft een toestand van sociale gelijkwaardigheid.
Het gemeenschapsgevoel is naast een gevoel, ook een houding ten opzichte van die gemeenschap en bepaalt de deelname aan en het zich willen inzetten voor het belang van deze gemeenschap. Het gemeenschapsgevoel wordt voornamelijk bepaald door het respect en het vertrouwen dat iemand zichzelf en anderen geeft, wat op zijn beurt voornamelijk bepaald wordt door de ervaringen die iemand heeft opgedaan met zijn medemensen.
Veel mensen zijn niet opgegroeid met het idee dat ze een deel van het geheel zijn. De meeste mensen hebben geleerd dat ze niet goed genoeg zijn of er alleen maar bij horen als ze aan bepaald voorwaarden hebben voldaan: een tien op een proefwerk, een opgeruimde kamer, beter zijn dan het broertje of zusje, sneller, creatiever, slanker, grappiger, langer, ouder of wat dan ook. Velen hebben daardoor het gevoel dat ze er niet bij horen en zijn niet in staat hun volledig potentieel te ontwikkelen en hun bijdragen te leveren aan de gemeenschap. De een zal meer ontmoedigd zijn dan de ander, afhankelijk van zijn ervaringen in zijn jonge jaren. Mogelijk betrekt de ontmoediging zich maar op een deel van iemands leven. Zo kan iemand een hoge functie hebben en goed werk leveren, maar niet in staat zijn een intieme relatie op te bouwen of in stand te houden. Sommige mensen zijn dusdanig ontmoedigd dat ze ervan overtuigd zijn geraakt in het geheel niets waard te zijn en er niet bij te horen.
De mens is een doelgericht wezen en doelen bepaal je zelf
Doelen zijn nodig om vooruit te komen. En aan elk gedrag ligt een bepaald doel ten grondslag. Mensen doen iets omdat ze van mening zijn dat ze daardoor dichter bij hun doel komen. Doelen zijn niet altijd bewust. Soms doen we zelfs dingen die we op het eerste gezicht niet willen doen, maar wie eerlijk is zal bemerken dat hij met het (vaak ongewenste) gedrag precies dat bereikt wat hij wil. Zo kan iemand die verlegen is, de wens uiten om dit niet meer te zijn. Als hij echter als doel heeft `door iedereen aardig gevonden te worden' kunnen we zijn verlegenheid begrijpen. Om meer bewust te worden van achterliggende doelen van gedrag kan de stelling `Als je wilt weten wat je (werkelijk) wilt, moet je kijken naar wat je doet soms veel duidelijk maken.
Een kind in een verouderende huid - de levensstijl
In de eerste jaren van zijn leven doet een ieder zijn eigen persoonlijke ervaringen op met de anderen en de wereld om hem heen, leert hij over mogelijkheden en begrenzingen, over liefde of afwijzing door anderen, over een wereld die vredig of vijandig is. En om al deze informatie wat te ordenen bouwt een ieder een mening op, over zichzelf (bv. klein of groot, dom of slim, de moeite waard of niet), over anderen (bv. vriendelijk of vijandig, behulpzaam of niet) en de wereld in het algemeen (bv. vol gevaren of niet). Maar ook over begrippen als betrouwbaarheid, liefde, mannen en vrouwen, religie, sexualiteit en over de beste manier om met bepaalde situaties om te gaan, bouwt een ieder een persoonlijke mening op. Al deze meningen en overtuigingen tezamen worden iemands levensstijl genoemd. Deze meningen en overtuigingen worden meer en meer bevestigd naar mate de tijd vordert en wat eens begon als een subjectieve waarheid wordt op den duur beschouwd als een objectieve waarheid: `Zo is het'. Vanuit deze waarheid, bekijkt iemand de wereld en reageert vanuit zijn ervaringen van toen op gebeurtenissen van nu. Iemands levensstijl heeft een grote invloed op zijn leven, maar hij is er niet aan overgeleverd. Meningen blijven meningen en zijn dus voor verandering vatbaar. Dat dit echter niet gemakkelijk is, lijkt duidelijk. Het opgeven van `waarheden' leidt tot onzekerheid en naar onbekend terrein. Nieuwsgierigheid en moed zijn noodzakelijke reisgenoten.
De mens is een onvolmaakt wezen
Kijkend naar mensen luidt de diagnose onvermijdelijk: chronisch onvolmaakt. Geen enkel mens is volmaakt, geen enkel mens zal dat ooit worden en hoewel sommigen een volmaakte prestatie leveren, zijn ze niet in staat dit niveau voor altijd te behouden. Dit feit te accepteren en vervolgens te kijken, waar dan wel de groeimogelijkheden liggen, levert meer op dan proberen iets te zijn wat men niet is. Overigens is er niets mis met proberen iets zo goed mogelijk te doen. Het is een gezonde instelling het beste van zichzelf te willen geven. Maar als dit verwordt tot het idee dat iets alleen maar goed genoeg is als het volmaakt is en dat iemand alleen maar de moeite waard is als hij volmaakt is, schiet het streven naar volmaaktheid zijn doel voorbij en leidt het tot minderwaardigheidsgevoelens die niet nodig en niemand tot nut zijn.
Onvolmaakt zijn en groei en ontwikkeling hangen zeer sterk samen met fouten maken en daardoor leren. In de loop der tijd hebben velen echter geleerd dat fouten maken een grote schande is. Fouten maken heeft het negatieve etiket `slecht en dom' gekregen, terwijl het juist leermogelijkheden en zelfs noodzakelijke voorwaarden zijn voor ontwikkeling.
Veel mensen hebben daarom een mogelijkheid ontdekt om geen of zo min mogelijk fouten te maken: vermijding. Vermijding is een manier om jezelf veilig te stellen voor ontmoediging en kritiek, maar hierdoor staan mensen zichzelf ook in de weg, doordat ze voelen dat ze niet zo uit de verf komen zoals ze weten dat ze zouden kunnen en bovendien onthouden ze daardoor de gemeenschap hun waardevolle bijdragen en capaciteiten, die een ieder mens van nature bezit.
De vijf levenstaken
Adler maakte een onderscheid tussen drie verschillende levenstaken die een ieder in de loop van zijn leven op een succesvolle manier poogt te vervullen: Liefde (relatie met partner en eigen ouders en kinderen), Werk (het werk op zich, de omgang met je collega's, je baas en je vrijetijdsbesteding) en Gemeenschap (omgang met buren, vrienden en andere mensen die je in je (dagelijkse) omgeving tegenkomt). Rudolf Dreikurs (1897-1972), een leerling van Adler, voegde nog twee levensopgaven toe: Zelf (relatie met jezelf) en Kosmos (de omgang met levensvragen als `waarheen?', `waarvoor?', `waarom eigenlijk?'). De mate van ervaren geluk of de kwaliteit van iemands leven wordt bepaald door de mate van succes waarmee hij zijn levensopgaven vervult.

